De jongste Makers Top 100 toont aan dat maakbedrijven met private‑equity‑aandeelhouders gemiddeld een EBITDA‑marge van 14 procent realiseren, tegenover 12,5 procent bij familiebedrijven. Samen met David Kemps (ABN AMRO) dook Dirk Harm Eijssen – partner bij Gwynt – in de cijfers en concludeert dat het verschil logisch is, maar geen zwart‑witverhaal vormt.
Private‑equityfondsen kiezen vooral winstgevende platformbedrijven en versnellen groei via buy‑and‑build. Dat levert schaalvoordelen op en dwingt tot scherper aan de wind zeilen vanuit een concrete strategie. Familiebedrijven investeren juist met de blik op volgende generaties en tonen lef in markten waar de businesscase nog niet glashelder is. In de hightech‑keten rond ASML is inmiddels meer dan 80 procent van de toeleveranciers (deels) PE‑gefinancierd, terwijl naar schatting 40 procent van de gehele Nederlandse maakindustrie familie‑eigendom blijft.
De financiële analyse van de Makers top 100 laat zien dat beide eigendomsvormen naast elkaar succesvol kunnen zijn vanuit twee verschillende visies. Private equity professionaliseert en consolideert; familiebedrijven bewaken ondernemerschap en langetermijninnovatie. De toekomst vraagt om een evenwichtige mix van rendement én visie – een conclusie die perfect aansluit bij Gwynt’s overtuiging dat duurzame groei ontstaat wanneer structuur en ondernemerschap gezamenlijk uitgebouwd worden binnen de (familie)onderneming.
Artikel in Link Magazine door Wouter den Ottelander, met medeauteur Dirk Harm Eijssen (Gwynt).
Het volledige artikel lees je hier.
Meer weten over dit thema? Neem contact met ons op!




